Jongeren met psychische problemen zijn geen losers

Jongeren met psychische problemen met een psychose zijn gevaarlijk, mensen met een burn-out zijn zwakkelingen en wie ADHD heeft is te los opgevoed. Allemaal stereotypen die moeten verdwijnen’, aldus Marleen Finoulst, hoofdredacteur van Bodytalk.

Marleen Finoulst

Adolescenten vallen tussen wal en schip. Ze vormen een groep die niet naar een huisarts stapt met problemen en die vaak ook niet langer deelt met mama of papa. Initiatieven als Te Gek!?, ‘Doe eens goed gek’ of de recente ‘Rode Neuzen Dag’ brengen het thema onder de aandacht van de goegemeente en zorgen ervoor dat jongeren in de knoei al wat makkelijker praten over wat hen dwarszit. Zodat ze minder het gevoel hebben een buitenbeentje te zijn dat niet meekan. Een loser, quoi.

Losers bestaan niet. Er zijn wel veel jongeren met een rodeneuzenprobleem. We moeten ermee ophouden hen te stigmatiseren. Er is geen wij (de ‘normalen’) en zij (de ‘abnormalen’). Wie stigmatiseert, koppelt daaraan stereotypen.

Bijvoorbeeld: mensen met een psychose zijn onvoorspelbaar en gevaarlijk, mensen met een burn-out zijn zwakkelingen, mensen met een depressie hervallen altijd en wie ADHD heeft is ‘te los opgevoed’.

Dat publiekelijk stigmatiseren is meestal nog erger dan de kwaal. Uit onderzoek blijkt dat stigma’s de levenskwaliteit van personen met een psychische kwetsbaarheid drastisch naar beneden halen. En het heeft nog een ander kwalijk gevolg: zelfstigma’s. Veel jongeren met psychische problemen accepteren de stereotypen die over hun kwaal de ronde doen. Ze voelen zich effectief een mislukkeling, iemand die niet kan volgen of die er niet bij hoort.

Jongeren (en vaak ook hun ouders) leggen hoge eisen op aan zichzelf. Ze moeten slagen op alle fronten: op studie- gebied en in hun relationele leven. Ze willen sociaal, assertief, knap en sportief zijn, leergierig en ambitieus. Universiteitsstudenten die liever niet deelnemen aan een Erasmus-uitwisseling, omdat ze bijvoorbeeld niet makkelijk contacten leggen, daar kijken we raar van op. Eerstejaars op kot die zich eenzaam voelen terwijl buiten het studentenleven jolig tiert, waaraan ze niet durven deel te nemen, dat weten we liever niet. Om nog te zwijgen over de nog grotere groep die niet studeert, niet werkt en niet weet wat aan te vangen met hun leven.

Ze hebben hulp nodig. Niet noodzakelijk professionele hulp, maar misschien steun uit hun omgeving, een luisterend oor van peers of ouders. Adolescenten hebben bovendien nood aan een andere, aangepaste vorm van hulpverlening. Zelf zijn ze minder geneigd om hulp te zoeken, daarom moeten we actief naar hen op zoek gaan, hen aanspreken. We moeten ervoor zorgen dat ze een opleiding volgen of een job vinden, of gewoon een zinvolle bezigheid. We moeten ze op de één of andere manier aan boord houden.

Bron: Knack.be

 

Plaats een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.